Heilige grond
Onder de titel Een viering van het schaakspel schetste ik in 2025 voor het ACO van toen een beknopt overzicht van de rijke traditie aan grote toernooien in Amsterdam sinds de jaren zestig. Want dat is waar het Amsterdam Chess Open in staat, een lange en trotse traditie van telkens weer nieuwe geslaagde pogingen om (voor even) het middelpunt van de nationale en zelfs de internationale schaakwereld te zijn.

Maar met de verhuizing van de speellocatie naar de Apollohal raken we aan een nóg oudere en misschien wel nóg rijkere periode uit de Nederlandse schaakgeschiedenis, namelijk die van de jaren vijftig. Want het was hier, in deze zaal, dat in 1954 de 11e Olympiade gehouden werd, toen nog onder de naa
m Wereldschaaktoernooi. Dit “wonder van organisatievermogen van de Nederlandse schaakwereld”, (zoals Euwe en Mühring het noemden in hun toernooiboek), werd in slechts enkele weken uit de grond gestampt door Lodewijk Prins en zijn team, nadat de Argentijnse schaakbond middels een “laconiek telegram” (ook weer Euwe en Mühring) de organisatie op het laatste moment had teruggegeven. De FIDE was ontzet (en liet het daarbij), maar het team Prins sprong er bovenop en organiseerde vanuit het niets een prachtig toernooi. Ook ruim zeventig jaar later kan je niet anders dan concluderen dat dit inderdaad een topprestatie was.
Twee weken lang was de Apollohal het centrum van de schaakwereld. Sindsdien mag je dit stukje Amsterdam gerust heilige grond noemen. Niet alleen vanwege de organisatorische topprestatie, maar vooral omdat dit dus de plek is waar in 1954 Botwinnik, Smyslov, Keres, Geller en Bronstein, die grootsten der groten, de vloer aanveegden met de ‘gewoon’ groten uit de rest van de wereld. Dit sterrenteam zette hier een van de grootste triomfen neer van het Sovjetschaak van de jaren vijftig. En die hal staat er dus nog!
![[Archief: Nationaal Archief | Foto: Noske, J.D.] Voor de aanvang van de ontmoeting tussen de USSR en Nederland op de Schaakolympiade van 1954. Bij bord 1 schudden Mikhail Botvinnik en Max Euwe elkaar de hand. Op bord 2 neemt Jan Hein Donner het op tegen Vasily Smyslov. De wedstrijd eindigt in een 2-2 gelijkspel.](https://static.wixstatic.com/media/2a3c2e_77f9dd0beaf84724be85bc3e84c9ccc9~mv2.png/v1/fill/w_980,h_758,al_c,q_90,usm_0.66_1.00_0.01,enc_avif,quality_auto/2a3c2e_77f9dd0beaf84724be85bc3e84c9ccc9~mv2.png)
Dit was niet het enige toptoernooi dat in de jaren vijftig in Amsterdam plaatsvond, want hetzelfde organisatieteam rond Lodewijk Prins had al in 1950 een groot individueel toernooi uit de grond gestampt. Dat was toen het eerste internationale schaakevenement in onze hoofdstad na de Tweede Wereldoorlog geweest. Het werd in die tijd gezien als de kroon op het herstel van de grote schaaktraditie van Amsterdam, die haar hoogtepunt had gehad in de jaren dertig met de tweekampen tussen Euwe en Aljechin, maar sindsdien ruw tot stilstand was gebracht – zoals alles in die tijd – door de Duitse bezetting.
In 1956 ten slotte was Amsterdam (en gedeeltelijk Leeuwarden) zelfs speellocatie voor een Kandidatentoernooi. Tien topgrootmeesters, die dubbelrondig om het recht speelden wereldkampioen Botwinnik te mogen uitdagen: hoger kan je niet reiken als organiserende stad, of het moest een tweekamp om het wereldkampioenschap zelf zijn. Ook dát zou Amsterdam trouwens nog meemaken, maar pas in 1993 toen Timman en Karpov een gedeelte van hun match in het Amsterdamse stadhuis afwerkten.
Tja, de jaren vijftig. Slechts weinigen hebben er nog herinneringen aan. Een van die weinigen is Hans Bouwmeester, in de jaren vijftig en zestig een van de beste Nederlandse schakers ná Euwe en Donner, voormalig bondscoach en een zeer productief schaakboekenschrijver. Hij is inmiddels 97 jaar en praat nog graag over zijn schaakcarrière, zij het dat hij daarbij een duidelijke voorkeur aan de dag legt voor een tijd die nóg verder in het verleden ligt, de jaren veertig. Hij kwam geregeld kijken tijdens die Olympiade in 1954 in de Apollohal en had ook zelf mee kunnen doen als ... hij zich vrij had kunnen maken van zijn drukke werkzaamheden. Maar dat lukte niet. Het was een wezenlijk en wijdverbreid probleem in die tijd en vormde voor veel, ook zeer talentvolle spelers een rem op hun schaakcarrière: het conflict tussen hun gedroomde schakersleven en de realiteit van het harde burgerbestaan. Maar dan heb ik het natuurlijk over de toppers, de mensen voor wie schaken de motor van hun leven is, althans één van de motoren.
Voor de overgrote meerderheid van de deelnemers aan het Amsterdam Chess Open van nu is dat gelukkig anders. We zijn flexibeler geworden in ons beroepsleven en bovendien: dit toernooi past in een weekend.
Dus als het zover is en je de Apollohal betreedt, sta even stil bij die heilige grond waarop je gaat spelen. Wijd een gedachte aan die Olympiade van 1954. Het is inmiddels 72 jaar geleden, maar misschien hangt er nog iets in de zaal, of in de omgeving van de zaal, van de sfeer van dat schaakfeest van toen. Zo ja, snuif het op en laat je erdoor inspireren. Zo niet, doe gewoon alsof en laat je er evengoed door inspireren. Veel succes!
Paul van der Sterren





Opmerkingen